TEST
Travelblog

De campingkakker

Arthur de Grote haalde van de week mijn lichtend voorbeeld Bob den Uyl (sallallahu alaihi wa sallam) aan en dan specifiek zijn Wet Den Uyl: je vindt niet wat je zoekt, maar alleen dat wat je niet zoekt.

Waarheid als een koe, overigens niet alleen toepasbaar op het reizen, maar ook op je doodgebloede huwelijk, je terugtrekkende haargrens en de affreuze collega’s in die naargeestige kantoortuin waar je de beste jaren van je leven doorbrengt. Je wilde het niet, je zocht het niet, je kreeg het toch.

In een vlaag van weemoed en mentale afmatting schreef ik eerder eens dat reizen voor mij bittere noodzaak is. Dat klinkt niet minder dramatisch dan het werkelijk is. Het ontvluchten van de werkelijkheid, het ‘echte leven’ zoals anderen het weleens noemen, maakt mij los van mijn dagelijkse sores. De strubbelingen om munten te verdienen met het schrijven. Om succes te boeken, al is het bescheiden, met mijn geproduceerde epistels.

Ik geniet van de soms minieme maar vaker immense verschillen tussen de Nederlandse en andere culturen. De andere gebruiken, het eten, de andere dagindeling en het volledig op jezelf aangewezen zijn, zonder de veiligheid van een bekende taal en eigen vaste gebruiken. Dat kleine cirkeltje van uit je comfortzone stappen, het onbekende tegemoet treden met open vizier is eng, dus lekker.
Het reizen, het daarmee samenhangende opzoeken van adrenaline rushes zoals bergsporten, snowboarden en extreme tochten over de Poolcirkel, het maakt mijn leven een stuk aangenamer. Het is als een drug, op het randje van zelfdestructie, maar beheersbaar.

Echter.

Weleens op een campingtoilet gezeten? Welnu… de afgelopen weken laveerde ik gevoeglijk door ons prachtige Avondland, mocht ik het genot smaken van de Verdragen van Schengen en plantte ik her en der mijn tentje neer, dit al om het harde werken van de afgelopen maanden te compenseren door mij te laven aan een orgie van Het Grote Nietsdoen.

Nadeel van dat mobiel wonen is het ontberen van een closet en douchecel. Dat gebrek aan stromend water compenseerde ik door tweemaal daags mijn bezwete corpus onder te dompelen in woest kolkende rivieren, koele Alpenmeren en razende watervallen.

Mijn gevoeg doen was desondanks voorbehouden aan de openbare campingtoiletten. Kakken in een eigenhandig gegraven kuiltje klinkt harske avontuurlijk en outdoor, maar zelfs ik ben van een beetje beschaving niet vies.
Placht ik voor ik van leer trek altijd eerst wat papier over de bril te draperen om vervolgens met de grootste voorzichtigheid te gaan zitten om mijn sanitaire smetvrees niet al te veel aan te zetten, daar werd mijn verbazing telkenmale geprikkeld door de nabuur in het aanpalende hok.

Dat – type babyboomer – komt binnen gestrompeld, ramt het klapdeurtje open, gaat zonder enige vorm van schonen zitten en dan barst de hel los. Een bacchanaal van excrementen volgt. Een spuitorgie van feces, zo erg dat het wel op de muren moet zitten. Het gaat gepaard met gegrom, gekreun en gezucht waarbij het persen een barende vrouw blosjes van jaloezie zou bezorgen – overigens kan dat met kracht naar buiten werken van uitwerpselen niet anders dan groteske aambeien opleveren. Het geheel gaat gepaard met windturbines van darmgassen, buikwinden en het verspreiden van poepbacteriën all over the place. Aan obstipatie heeft de gemiddelde campingkakker een broertje dood.
Maar de ergste in zijn soort is nog wel de ontlaster die al rokende zijn te zwart gebakken bbq-vlees naar buiten wurmt. De geur van nicotine, stront, het klamme bouqet van een veertig jaar oud toiletgebouw… Ik wilde het niet, ik zocht het niet, ik kreeg het toch.

Awel, om in de luchtige geest van Den Uyl te spreken: het reizen vereist sterke zenuwen. Een sterke maag ook.

Mijn nieuwste boek bestellen? Hier!

Editor's choice